De Weimarse Staande Hond, meer bekend onder de naam Weimaraner,dankt zijn naam aan de stad Weimar, de residentie van de groothertogen 'van Sachsen Weimar'.Karl August von Sachsen Weimar, die leefde aan het einde van de 18e, begin 19e eeuw was een hartstochtelijk jager en mede door zijn initiatieven is de Weimaraner ontwikkeld.

Wanneer de oorsprong van een ras niet duidelijk aantoonbaar is, doemen vaak oncontroleerbare indianenverhalen op, die bij nader inzien en achterhaalde realiteit ook weer als sneeuw voor de zon verdwijnen. Slechts een enkele keer is hun een taai leven beschoren. Mogelijk zal bij de verdere ontwikkeling van de D.N.A.-technieken blijken, dat men bij het gissen zich helaas al te vaak vergist heeft.

Vooraanstaande Duitse jachthondenauteurs zoals Karl Brandt, Richard Strebel enLudwig Bechmann verschillen in opvatting over het ontstaan van de Weimaraner en de vraag rijst, wie van de heren in dezen het gelijk aan zijn kant krijgt.

De befaamde kynoloog en geschiedvorser Dr. Hans Raeber merkt in zijn Enzyklopadie der Rassehunde op: "Over de afkomst van de Weimaraner is veel geschreven en gegist, maar concrete gegevens kan bijna niemand verstrekken." De Duitse auteur K. Brandt beweert in zijn boek over de Langharige Duitse Staande Hond, dat de Weimaraner ontstaan zou zijn uit de kruising van een Duitse Staande Hond met een Pointer. Uit deze combinatie werd een grauwgrijze reu geboren, die beschouwd werd als de stamvader van de huidige Weimaraners.


De groothertog Karl August von Weimar, een hartstochtelijk jager, zou deze combinatie hebben aanbevolen. Deze theorie werd door latere auteurs als R. Strebel en E. Ilgner, we schrijven dan begin 20e eeuw, als onhoudbaar beschouwd, omdat zij meenden over aanwijzingen te beschikken, dat het ras nog veel vroeger ontstaan was. Als bewijs hiervoor, zij het zwak, moest dienen het portret van Prins Rupert von der Paltz, geschilderd door Van Dijck. Het schilderij uit 1631 toont naast het portret van de prins een blauwe langstaartige jachthond met een witte borstvlek. Ruim 150 jaar voordat de Weimarse groothertog zijn kynologische zonden bedreef was er reeds sprake van blauwgrijze jachthonden. Men beschouwde deze opmerkelijke kleur als fokzuiver en een inkruising met de Pointers achtte men niet mogelijk, omdat deze verdunde kleur in Pointer niet voorkwam

Naarstig ging men op zoek naar een andere zondebok, die in Frankrijk werd aangetroffen. De Chien Gris, een lopende hond met een blauwgrijze schimmelkleur, zou mogelijk als de dader kunnen worden aangemerkt. Het ras was ontstaan ten tijde van de Heilige Lodewijk IXe, die van zijn kruistocht naar het heilige land blauwgrijze honden meegebracht zou hebben. Deze honden waren niet egaal grijs van kleur zoals de huidige Weimaraner, maar vertoonden het schimmelpatroon, dat wil zeggen een mengeling van zwarte en witte haren, waardoor een blauwachtig grijs effect ontstaat. Egaal blauwgrijs, een van de erkende kleuren bij de Weimaraner, ontstaat door een verdunningsfactor, die van zwart grijs maakt. Aangenomen werd, dat de hertog met "demonische kracht" contacten onderhield met de Franse adel omtrent jachtmethoden met lopende honden. Voordat de jacht met de meute een aanvang neemt, wordt met Limiers of Leithunde, dat zijn aangelijnde brakken, de wildbezetting van het jachtterrein bepaald en op welk van de stukken mag worden gejaagd. Wildbeheer is zeker geen uitvinding van de huidige tijd! Uit de combinatie van zo'n Limier en een Spaanse Pointer, zou de Weimaraner ontstaan zijn.
Deze verklaring is aannemelijk, omdat gebruik gemaakt is van de perfecte neus en de grote snelheid van de Limier en de eigenschap van het voorstaan van de Pointer, die dit Spaanse ras in hoge mate bezat, maar daarbij helaas een te traag werkende hond was. Maar de aartshertog had nog meer pijlen op zijn kynologische boog en boze tongen beweerden, dat hij bij een bezoek aan een kuuroord in Bohemen bij zijn vriend de vorst Esterhazy grijze Staande Honden aantrof en enkele exemplaren mee naar huis nam. Deze dieren schonk hij aan enkele van zijn jachtopzieners, die op aanwijzing van de hertog met deze honden fokten en de nazaten ervan selecteerden voor de jacht. In tegenstelling tot zijn politieke aspiraties om geheel Duitsland aan zijn grondgebied toe te voegen, wat hem ondanks zijn demonische krachten niet gelukte, een geringe uitbreiding van zijn gebied was het enige resultaat, op het gebied van de fokkerij van asgrauwe blauwe honden heeft hij wereldfaam verworven. Deze reputatie zij hem vergund en de kynologische wereld is hem dankbaar voor zijn enerverende strijd, die geresulteerd heeft in een ras, dat vele harten over de hele wereld heeft gestolen..

Iets later dan de overige Duitse Staande Honden is het ras in 1897 erkend en het heeft tegelijkertijd een standaard gekregen. Hoewel de fok van de zilverblauwe kleur niet erg moeilijk is -deze kleur wordt namelijk veroorzaakt door een verdunningsfactor die zowel op zwart, als blauw en bruin zijn uitwerking heeft en recessief vererft -werd de fokkers in het verleden aangeraden heel voorzichtig met combinaties van zilverblauwen om te gaan, omdat hieruit dieren konden worden geboren met te dunne of zelfs geheel ontbrekende beharing.

" De auteur Strebel beschrijft in zijn werk 'Die Deutschen Hunde', dat hem zo'n exemplaar was getoond, wiens huid aanvoelde als die van een Amerikaanse hond. Bedoeld is hier de Zuid- of Midden-Amerikaanse Naakthond, de 'Xoloycuintly'.

Strebel pleit ervoor regelmatig met anders kleurige kortharen te kruisen om dit euvel te voorkomen, waardoor weliswaar miskleuren ontstaan, die door juiste combinatie met zilverblauwen weer de goede kleur opleveren.

Van meet af aan genoot het ras door zijn intelligentie en uitstekende gebruikskwaliteiten een grote reputatie. Groot was dan ook de verontwaardiging bij een aantal vooraanstaande jachthondenkenners, waaronder de Nederlandse keurmeester F.A.J. Alofs, toen de Duitse speciaalclub voorschreef, dat de honden 'mannscharf' moesten zijn om stropers in het jachtveld te kunnen stellen. Men vreesde, dat de honden door deze eisen onevenwichtig van karakter zouden worden. Voor een ras, dat reeds een veelzijdige aanleg als gebruikshond aan de dag legde, achtte men de scherpte op mensen funest.
Men dient zich echter te realiseren, dat de Oostenrijker Hegendorf, die zich geweldig veel moeite getroost heeft om de Langharige Weimaraner erkend te krijgen en zelf een hartstochtelijk jager was, meerdere malen verklaard heeft, dat de Weimaraner over perfecte jachteigenschappen moest beschikken maar tegelijkertijd ook een goede verdedigingshond moest zijn. De standaard verlangt dan ook, dat de hond 'Wesensfest'  d.w.z. karaktervast moet zijn, de ideale eigenschap van een zelfbewuste verdedigingshond, die beslist niet agressief mag zijn.

Van de uitvoerige raspunten, vergezeld van een lijst van fouten en diskwalificerende fouten, noemen we de belangrijkste. Het algemeen beeld is dat van een middelmatige tot grote jachthond, een functioneel werktype met aangename vormen, pezig en krachtig gespierd. Het geslachtstype moet duidelijk tot uiting komen. Reuen meten van 59 tot 70 cm aan de schoft. Ideale maten variŽren van 62-67cm. Teven dienen een schofthoogte te bezitten tussen 57 en 65 cm. Ideale maten variŽren van 59-63 cm. Reuen wegen tussen 30 en 40 kg en teven 25-35 kg. De lichaamslengte verhoudt zich tot de schofthoogte als 12 : 11. De afstand van schoft tot elleboog is nagenoeg gelijk aan de afstand van elleboog tot middenvoet. De lengte van de neus van neuspunt tot stop bedraagt iets meer dan van stop tot achterhoofdsknobbel. Weimaraners zijn zilver-, ree- of muisgrijs of hebben een tint tussen deze kleuren in. Hoofd en oren zijn vaak iets lichter. Over het midden van de rug een meer of minder brede aalstreep. Geringe witte aftekeningen aan borst en tenen zijn toegestaan. Tankleurige aftekeningen zijn niet toegestaan.

De beharing moet kort, stevig en zeer dicht zijn, zonder of met weinig onderwolen behoort vlak aan te liggen. Stokhaar is eveneens toegestaan. Het moet middelmatig lang zijn, dicht, recht en vlak aanliggen met een dichte wollige ondervacht en geringe bevedering. Bij de langharen moet het dekhaar zacht en lang zijn met of zonder onderwol, glad of lichtgegolfd. Aan de oorpunten fluweelachtig fijn, bij de ooraanzet lang en afhangend. Het haar op de rug en de flanken moet 3 tot 5 cm lang zijn, aan de onderzijde van de hals, op de voorborst en aan de buik langer. Goede bevedering aan de achterzijde van de voor- en achterbenen en een fraaie vlag aan de staart. Op het hoofd moet het haar kort zijn en tussen de tenen moet er een goede beharing zijn. De vacht is pas na het tweede jaar volgroeid. Het hoofd is matig lang in verhouding tot het lichaam en is van neuspunt totstop iets langer dan van stop tot achterhoofdsknobbel, die licht tot matig geprononceerd moet zijn.

Op de schedel een lichte groef. De schedelbreedte moet in verhouding zijn totde lengte en is bij de reu breder dan bij de teef. Jukbeenderen onder de ogen goed waarneembaar.
De voorsnuit moet hoekig van vorm zijn en vooral bij de reuen krachtig en lang. Een rechte of iets gewelfde neusrug. Lichte stop. Vleeskleurige, matigoverhangende lippen met kleine lippenplooi. Een krachtig en fout-loos gebit. Het hoofd moet droog zijn. De brede, tamelijk lange oren die bijna tot de mondhoek reiken, moeten hoog ensmal aangezet zijn en spits afgerond aan de punt. Bij actie naar voren gedraaiden iets gevouwen. De donker vleeskleurige neus steekt iets voor de onderkaak uit. De donker- tot lichtbarnsteenkleurige ogen met schrandere expressie zijn rond,nauwelijks schuin geplaatst. Jonge honden hebben hemelsblauwe kijkers.

De edele, bijna ronde en goed gespierde hals die niet te kort mag zijn, wordt naar de schouders krachtiger en gaat vloeiend in ruglijn en borst over. Droog, dat wil zeggen zonder wammen en met een goed aanliggende keelhuid. Het krachtig bespierde lichaam is van boeggewricht tot zitbeen iets langer dan de schofthoogte, ongeveer als 12:11. De krachtige, niet overmatig brede borst moet voldoende diep zijn met ver naar achteren doorlopende ribben die tot aan de ellebogen reiken.
Een iets langere krachtige rug die flink bespierd is en waarvan de schoft en het kruis op dezelfde hoogte liggen. De staart bij de kortharige en stokharige honden wordt iets ingekort, bij langharen blijft de staart gaaf op 2 a3 staartwervels na. De staart is lager aangezet dan bij de andere Duitse Staande Honden en wordt naar beneden gedragen.
Wat de voorhand betreft moeten de lange, goed aanliggende schouders goed schuin liggen, evenals de sterke, voldoende lange en goed gehoekte opperarm. Ellebogen mogen noch naar binnen noch naar buiten en moeten goed aan de borst aansluiten. Ellebogen staan ter hoogte van het diepste punt van het borstbeen. Van voren gezien staan de voorbenen evenwijdig van elkaar.

De achterhand moet harmonisch gehoekt zijn met de voorhand en met juiste hoeking van de heupen, knie en spronggewricht. De onderschenkel is langer dan de bovenschenkel en zijn beide zeer goed bespierd. Evenals de ellebogen mogen de hakken noch naar binnen noch naar buiten draaien.
Van achteren gezien moeten de benen loodrecht vanuit de heupen staan, in het verticale vlak met de voorbenen geplaatst. In draf blijft de rug recht. De goed gesloten krachtige voeten zijn enigszins ovaal van vorm met ronde zoolballen die licht tot donkergrijs zijn. Het gangwerk moet soepel, krachtig en moeiteloos verlopen.

Fouten:
ledere afwijking van onderstaande punten dient naarmate de ernst van de afwijking bestraft te worden.

Duidelijke afwijking van het rasbeeld.
-Een onvoldoende geslachtstype.
-Ernstige afwijking van de juiste verhoudingen.
-Een aanzienlijk tekort aan temperament.
-Ernstige afwijking van de maat en verhoudingen.
-Te zware lippen, een korte of een te spitse neus.
-Het ontbreken van meer dan twee Pl of M3.
-Te lichte oogleden en ongelijke ogen.
-Te korte ofte lange niet ge... [woord vervallen] oren.
-Losse keelhuid afwijking van de vorm van de hals en te lichte of te zware bespiering.
-Een zadelrug of een karperrug. Overbouwd.
-Tonvormige ribben. Een ondiepe of een te korte borst. Opgetrokken buik.
-Afwijkende vormen van de testikels.
-Te weinig gehoekte ledematen, losse ellebogen en spreidtenen.
-Kromme benen of koehakken.
-Slechte gangen zowel in stap, in draf en galop.
-Onvoldoende paslengte, onvoldoende stuwkracht.
-Telgang.
-Te dunne of te dikke huid.
-Mengeling van diverse vachtstructuren.
-Te weinig beharing op buik of oren.
-Wijd verspreide wollige vacht bij de Korthaar Weimaraner of gekrulde of schaarse bevedering bij de langharige  variŽteit.
-Anders dan grijze tint, zoals geel en bruin.
-Bruine aftekeningen.
-Sterke afwijking van de juiste hoogte of van het gewicht, meer dan 2cm van het gemiddelde.
-Overige ernstige fouten.

Diskwalificerende fouten
-Geheel a-typisch, vooral te zwaar of te licht in bouw.
-Ernstige verstoring van de onderlinge verhoudingen.
-Een onjuist temperament, angstig of zenuwachtig.
-Een hoofd, dat gelijkt op een Bulldog.
-Een sterk gebogen neusrug.
-Bovenvoorbeet, ondervoorbeet, het ontbreken van meer tanden dan aangegeven bij lijst van fouten.
-Entropion, ectropion.
-Ontypische oren, zoals afstaande oren.
-Te zware keelhuid.
-Sterke zadel- of karperrug.
-Sterk overbouwd.
-Tonvormige ribben of een misvormde borst.
-Monorchisme.
-Kryptorchisme.
-Rachitische of misvormde benen.
-Heupdysplasie.
-Sterke afwijking van het normale gangwerk.
-Gedeeltelijke of geheelontbrekende beharing.
-Een andere kleur dan grijs.
-Uitgespreide bruine aftekening.
-Witte aftekeningen behalve op borst en voeten.
-duidelijk te grote of te kleine honden.
-Overige misvormingen.
-Ziekten, die beschouwd worden een erfelijke aanleg te bezitten, zoals epilepsie.

De samenstellers kunnen natuurlijk niet alle fouten die voorkomen, opnoemen. De bovenstaande fouten moeten als voorbeeld beschouwd worden.

Reuen dienen twee normaal ontwikkelde testikels te bezitten, die geheel in het scrotum afgedaald moeten zijn